Spiritualiteit: het woord en mijn oom

Mensen hebben diverse associaties met dat woord. De een denkt aan uittredingen, geest-verschijningen en dansende tafels. Of iets met aura’s, vorige levens, chakra’s, of bijna-doodervaringen. Of misschien wel met engeltjes, deva’s, plantengeesten. Velen associëren het ook met iets angstigs, iets ongrijpbaars, het onzekere en ongewisse.

En dan zijn er ook die het verbinden met juist heel erg op de aarde te staan, met het ervaarbare, met gewoon te zijn. Met alles wat juist weetbaar, voelbaar en verifieerbaar is. Zo een ben ik dus.

Ik denk eerder aan dagelijkse dingen, zoals het vermogen om intens te genieten van hele kleine en natuurlijk ook grote dingen, voor jezelf op te komen, iets te durven zeggen, gevoelens en emoties te durven voelen, grenzen aan te geven, ruimte in te nemen en ruimte te geven.

Maar ook te leren leven met de trauma’s en situaties zodat ze hanteerbaar worden. Dát is spiritualiteit voor mij: je wil authentiek zijn, je wil in diepe harmonie zijn met je gevoelens, je handelen en je spreken. Je wilt voortdurend in contact staan met je oergrond, je diepe weten.

Ik heb een oom, of liever gezegd had een oom. Mijn vader en z’n broer kwamen uit een orthodox Joods gezin. Mijn vader zat in de oorlog ondergedoken en mijn oom kwam meer half dood dan levend terug uit Auschwitz. Hij had nog een nummer op zijn arm gebrand.

In de jaren voor zijn dood in 2001 bezocht ik hem meermaals. Hij moet toen ongeveer 92 geweest zijn. Af en toe praatten we wel eens een beetje over de oorlog, maar ik merkte dat dat een zeer beladen onderwerp was, net zoals bij mijn vader.
Hij wist dat ik met spiritualiteit bezig was en ik vond het altijd verrassend als hij vroeg, waarom die dingen mij zo interesseerde. Tijdens een gesprek daarover vroeg ik hem een keer:
“Na alles wat u in de oorlog heeft meegemaakt, gelooft u nog wel in God of in een God?”
Ik weet nog dat hij stil werd, een tijdje naar binnen keerde. Toen hief hij z’n hoofd weer op, keek me recht aan en met een half gebroken stem zei hij zacht:
“Jongen, ik vind het al heel wat als mensen een beetje vriendelijk tegen elkaar zijn”.
Die woorden kwamen uit een peilloze diepte, die woorden waren zó authentiek, hadden zo’n kracht, ze raakten me diep. Ik schoot direct vol en viel stil.
Dat is een spreken, dat zijn woorden, die verbonden zijn met de ziel van een in dit geval tot op het bot gekweld mens. Van iemand die echt iets heeft meegemaakt.